News
Managementloopbanen: stap voor stap…
3 augustus 2010
Door: Drs. Gert-Jan Melker en Prof. dr. Paul Jansen, Vrije Universiteit
Amsterdam
Managers maken binnen hun loopbaan verschillende stappen. Soms gepland,
maar vaak ongepland. De ene keer een kleine stap, de andere keer een grote
stap. Hoewel loopbanen - en in het bijzonder loopbaansucces - nog altijd
op veel (wetenschappelijke) belangstelling kunnen rekenen, is de aandacht
voor loopbaanstappen of functieovergangen tot dusver (te) beperkt gebleven.
Wat bepaalt bijvoorbeeld het succes van een functieovergang? Wat zijn
ervaringsregels? Tegen welke problemen lopen managers op? Wat helpt om
de kans op een succesvolle functieovergang te vergroten en hoeverre spelen
hier persoonskenmerken een rol? In dit proefschriftonderzoek dat wordt
uitgevoerd binnen het Amsterdam Center for Career
Research van de VU (www.accr.nl)
staan deze en andere vragen over functieovergangen binnen managementloopbanen
centraal.
Lees meer...
Functieovergangen hebben twee kanten. Enerzijds zorgen ze voor persoonlijke
groei en het opdoen van nieuwe ervaringen. Anderzijds kunnen functieovergangen
nogal confronterend zijn en brengen ze de nodige onzekerheden en spanningen
met zich mee. Vaak is er sprake van grote afbreukrisico's: hoe 'hoger'
de nieuwe functie, hoe groter het afbreukrisico. Uit het onderzoek blijkt
dat een succesvolle overgang niet vanzelfsprekend is. Achter positieve
beoordelingen schuilen vaak twijfels, onzekerheid en spanningen. Verder
blijkt dat de noodzaak om managers te ondersteunen bij grote overgangen
in hun loopbaan lang niet altijd wordt onderkend. Dit is opmerkelijk, omdat
de overgangsperiode - de tijd die managers zeggen nodig te hebben om zich
de nieuwe rol eigen te maken - minstens een half jaar duurt. Een overgangsperiode
van meer dan een jaar blijkt geen uitzondering.
Een succesvolle overgang wordt gekenmerkt door aanpassingsvermogen.
Managers die in staat zijn om zich aan te passen aan de nieuwe situatie
waarin andere eisen worden gesteld, blijken succesvoller dan managers
die blijven 'hangen' in hun oude gedrag. Een grote of 'kritische' loopbaanstap
vraagt dan ook een sprong in iemands ontwikkeling. Dit verklaart de extra
energie die functieovergangen vergen van managers. Ambitie speelt hier
een belangrijke rol. Managers die echt gemotiveerd zijn om een (grote)
stap te zetten, hebben meer kans om te slagen. Maar een kritische functieovergang
vraagt ook iets van het conceptuele vermogen van managers. Naarmate managers
hoger in de hiërarchie komen, worden managementvraagstukken complexer
en is het nemen van beslissingen niet langer routinewerk. Hier geldt:
regeren is (steeds verder) vooruitzien.
In de meeste organisaties worden kritische functieovergangen gezien
als een gedeelde verantwoordelijkheid van de manager en van de organisatie.
Dat is niet zo verwonderlijk: beide hebben belang bij een succesvolle
overgang. Toch heeft de ondersteuning bij functieovergangen te vaak een
'ad hoc'-karakter. Uit het onderzoek blijkt dat er vaak onvoldoende wordt
stilgestaan bij de sterke en zwakke punten van de manager en de hieruit
volgende ontwikkelpunten.
Coaching blijkt met name op de hogere functieniveaus effectief. Op de
lagere managementniveaus zijn managementopleidingen en -trainingen vaker
nuttig. Ook blijkt uit het onderzoek dat praten met managers die in een
soortgelijke overgangssituatie zitten ('lotgenoten'), bijdraagt aan het
succes van een grote overgang. Verder blijkt dat leidinggevenden, zeker
op de hogere niveaus, goed in staat zijn zelf ondersteuning te organiseren,
als de noodzaak ervan wordt ingezien.
Het is aan organisaties om managers tijd en ruimte te geven voor persoonlijke
ontwikkeling. In de meeste gevallen moeten mensen groeien in hun nieuwe
rol. Het ervaren van ruimte voor ontwikkeling blijkt voor managers essentieel.
Het is aan managers om zichzelf open te stellen voor nieuwe ervaringen
en om eerdere routines ter discussie te stellen (dit kwam ook uit het
eerdere proefschrift- onderzoek van Jeroen Seegers: Leiders
leren, VUA,
november 2008). Een kritische functieovergang is dan ook te zien als een
zoektocht naar een nieuwe vorm van toegevoegde waarde in een nieuwe rol.
Verder blijken de partner en het eigen gezin belangrijk te zijn bij
kritische functieovergangen. Deze vorm van ondersteuning wordt nog te
vaak onderschat. Spanningen op het werk en in de relatie gaan maar zelden
goed samen.
Gert-Jan Melker (
gmelker@feweb.vu.nl)
en Paul Jansen (
pjansen@feweb.vu.nl)

Samenwerken tussen professionals en professionele identiteit
25 juni 2010
Door: Prof. dr. Eric Molleman, Rijksuniversiteit Groningen
Een belangrijk en fundamenteel kenmerk van mensen is dat ze ergens bij
willen horen en zich met bepaalde sociale groepen identificeren. Als
mensen zich met een bepaalde groep identificeren beïnvloedt dat
ondermeer hoe mensen zichzelf zien, hoe ze zich opstellen en hoe ze omgaan
met anderen. Een groep waarmee men zich kan identificeren kan een hele
algemene sociale categorie betreffen zoals personen van hetzelfde geslacht
of een bepaalde leeftijdsgroep maar ook meer specifieke groepen zoals
de supporters van een sportvereniging of werknemers van een bepaalde
organisatie. Een specifieke groep waarmee je je kunt identificeren is
je beroepsgroep. Hierbinnen nemen professionele beroepsgroepen om verschillende
redenen weer een bijzondere plaats in.
Lees meer...
In een recent door ons uitgevoerde studie hebben we drie kenmerkende
aspecten van professionele identiteit onder de loep genomen en zijn we
nagegaan of samenwerking met andere professionele groepen deze professionele
identiteit raakt. Samenwerking tussen professionals is steeds vaker noodzakelijk
omdat de complexiteit van de problemen en vragen die men moet oplossen
groter wordt, terwijl aan de andere kant specialisatie een hoge vlucht
heeft genomen. Professionals weten als het ware steeds meer van minder.
Deze ontwikkelingen noodzaken samenwerking. Maar samenwerken met andere
professionals kan negatieve gevoelens oproepen: wat is mijn eigen bijdrage
in een groep, waar ga ik nu nog over en mag ik over beslissen? En moet
ik ook verantwoording afleggen aan de professionals met wie ik in een
team zit? Ook al hebben die wellicht nauwelijks kijk op en verstand van
mijn kennisdomein? Dit zijn allerlei vragen die de professionele identiteit
kunnen aantasten, en daarmee samenwerking in de weg kunnen staan of negatief
beïnvloeden.
In de studie hebben we in de eerste plaats gekeken naar professionele
autonomie. Professionals verrichten veelal complexe taken waarbij pas
tijdens de uitvoering precies duidelijk wordt hoe de volgende processtap
er uit moet zien. Dit maakt het bedrijfsmatig gezien effectief en efficiënt
om de professional veel ruimte te geven om zelf beslissingen te nemen
over issues zoals ‘wat, wanneer en hoe te doen’. Deze autonomie
geeft vrijheid, aanzien en straalt vertrouwen en deskundigheid uit, en
vormt één van de kernwaarden van de identiteit van professionals.
Een tweede kenmerk van professionele identiteit is zelfregulatie. Terwijl ‘gewone’ werknemers
zich vooral moeten verantwoorden tegenover het management, worden professionals
veel meer beoordeeld volgens standaarden die door de eigen beroepsgroep
zijn ontwikkeld en moeten zij zich voor hun handelen primair verantwoorden
tegenover beroepsgenoten. Een derde kenmerk is dat een professionele
beroepsgroep een door anderen en door de samenleving in bredere zin erkend
eigen expertise gebied heeft waarbinnen hun autonome handelen als individu
en als beroepsgroep wordt gerespecteerd.
We zijn onder een groep van meer dan 2000 medisch specialisten nagegaan
of samenwerking met medisch specialisten van een ander specialisme invloed
heeft op de hierboven genoemde drie aspecten van professionele identiteit.
Het blijkt dat naarmate medisch specialisten meer deelnemen aan samenwerkingsverbanden
waarin diverse specialismen zijn vertegenwoordigd zij inderdaad minder
autonomie ervaren en ook aangeven zich vaker te moeten verantwoorden
tegenover professionals van buiten het eigen specialisme. Deze samenwerking
leidt over het geheel genomen er niet toe dat zij ervaren dat hun expertise
gebied door anderen betreden wordt of dat het eigen deskundigheidsgebied
minder duidelijk van die van andere specialismen onderscheiden kan worden.
Samenwerken kan van de ene kant betekenen dat anderen je domein betreden
maar van de andere kant is het ook een ideale gelegenheid om je deskundigheid
ten tonele te brengen.
Verder komt uit het onderzoek naar voren dat de gevolgen van bovengenoemde
samenwerking voor de ervaren professionele identiteit afhangt van de
persoonlijkheid van de medisch specialisten. Over het geheel genomen
ervaren extroverte, emotioneel stabiele en leergierige specialisten minder
invloed van samenwerking op hun professionele identiteit. Extroverte
mensen vinden het veelal prettig om met anderen samen te werken en bewegen
zich ook vrijer in sociale settings zoals teammeetings. Dit verklaart
waarom zij de invloed van de samenwerking met andere professionals op
de eigen professionele identiteit minder sterk ervaren. Emotioneel stabiele
personen reageren rustiger op complexe situaties die veelal kenmerkend
zijn voor het werk van professionele teams. Ook vinder ze het minder
bedreigend wanneer ze zich moeten verantwoorden ten opzichte van professionals
van buiten het eigen specialisme. Zij die leergierig zijn zien samenwerking
als een kans om de eigen horizon te verbreden en vinden feedback van
anderen ook eerder leerzaam. Deze eigenschappen verklaren waarom zij
de invloed van samenwerking op de ervaren professionele identiteit minder
sterk ervaren.
We hebben dit onderzoek uitgevoerd onder medisch specialisten maar
verwachten dat deze resultaten ook geldig zijn voor andere professionele
groepen zoals wetenschappers, advocaten of ingenieurs. Inzichten uit
dit onderzoek kunnen P&Oers benutten in hun advisering aan managers
van professionals en zij die professionele teams moeten leiden. In het
licht van HRD kan het opleiders van professionals inzicht bieden in welke
vaardigheden bij professionals ontwikkeld moeten worden om effectief
te kunnen functioneren in teams. Tenslotte kan het bij het adviseren
van een individuele professional inzicht geven in welke werksituaties
het best bij deze professional past.
Eric Molleman

Scholen als vergeten organisaties
10 mei 2010
Door: Prof. dr. Karin Sanders, Universiteit Twente
Wie aan scholen, leerkrachten en leerlingen denkt, denkt niet gelijk
aan organisaties zoals Philips, Shell of Siemens. En toch kunnen scholen
ook als organisaties met een strategie, medewerkers, en uitkomsten op
medewerkers en organisatieniveau worden bezien. Daarnaast gaan scholen
meer en meer op andere organisaties lijken: er wordt via allerlei leergangen
aan effectief leidinggeven gewerkt; er wordt in toenemende mate in teams
gewerkt; scholen zijn vanaf 2000 in opdracht van het Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen bezig met de implementatie van integraal personeelsbeleid;
en er worden binnen scholen in toenemende mate P&O ers aangenomen
om dit beleid vorm te geven. In de media wordt veelvuldig het kwaliteitsniveau
van de leraren ter discussie gesteld en wordt de vraag gesteld hoe dit
te verbeteren is.
Lees meer...
Door deze ontwikkelingen worden scholen en leerkrachten in toenemende
mate object van (Human Resource) Management onderzoek. Dit gebeurt
ondermeer in Twente, binnen de vakgroep Organisatie Psychologie & Human
Resource Development (OP&HRD) waar vanuit een organisatiepsychologisch
perspectief in een aantal promotietrajecten het effect van HRM op
het gedrag van leerkrachten binnen scholen wordt bestudeerd.
Zo promoveerde Piety Runhaar in 2008 op een onderzoek naar de verklaring
van de professionele ontwikkeling van docenten binnen ROC’s.
Uit één van haar onderzoeken bleek dat P&O-ers binnen
de scholen met name de operationele rollen administrative expert en
employee champion vervullen, terwijl ze nog weinig toekomen aan de
strategische rollen, strategic partner en change agent, waar overigens
wel sterk hun voorkeur ligt. Daarnaast bleek in tegenstelling tot
veel onderzoek binnen bedrijven transformationeel leiderschap niet
altijd effectief te zijn voor innovatief gedrag van leerkrachten.
Voor leerkrachten met een sterke leerdoeloriëntatie, dat wil
zeggen leerkrachten die gemotiveerd zijn om zoveel mogelijk te leren,
blijkt een transformationeel leider niet altijd positief te werken.
Een transformationeel leider bleek wel effectief voor leerkrachten
met een minder sterk ontwikkelde leerdoeloriëntatie.
Judith Konermann, werkzaam bij KPC Groep en verbonden aan de vakgroep
verricht onderzoek op het terrein van werkbevlogenheid van leerkrachten.
In één van haar onderzoeken onderzoekt ze de invloed
die de interactie met de leerlingen en de HRM praktijken hebben op
de verschillende aspecten van werkbevlogenheid. Zowel de interactie
met leerlingen als de HRM praktijken zijn, zo blijkt uit een onderzoek
onder 342 docenten binnen 13 VO scholen positief gerelateerd aan werkbevlogenheid.
Aanwezigheid van beide aspecten – goede interactie met leerlingen
en een positieve perceptie van HRM praktijken – leidt overigens
niet tot meer werkbevlogenheid. Als de interactie met leerlingen de
werkbevlogenheid al sterk beïnvloedt, leidt een minder positieve
perceptie van de HRM juist tot betere uitkomsten. Uit dit onderzoek
blijkt tevens dat gevalideerde en veel gebruikte schalen uit de HRM
literatuur niet altijd op eenzelfde wijze te gebruiken zijn: leraren
hebben geen moeite met items over beloning, training, of promotietrajecten,
maar items waar de term HRM, en/of P&O in voorkomen blijken veel
moeilijker schaalbaar. Blijkbaar heeft de term HRM - omdat wellicht
de afstand van P&O naar leraar veelal nog erg groot is - een andere
betekenis dan in het bedrijfsleven. Dit promotietraject zal eind dit
jaar worden afgerond.
Als één van de drie projecten binnen een door NWO gefinancierd
aandachtsgebied naar de professionele ontwikkeling van docenten onderzoekt
Monique van Rijn de invloed van carrière identiteit van leerkrachten
op de bereidheid tot leren, op subjectief en op objectief carrière
succes. Juist binnen scholen met weinig mogelijkheden tot verticale
promotie is dit een uiterst relevant onderzoek. In een survey wordt
een grote groep docenten drie keer ondervraagd naar carrièrewensen,
carrière identiteit en hun activiteiten om zich te professionaliseren.
Daarnaast zal in experimenteel onderzoek worden onderzocht in hoeverre
de carrière identiteit van leerkrachten via priming te veranderen
is.
Een deel van de bovengenoemde studies wordt gepresenteerd op de
Onderwijs Research Dagen (ORD) die dit jaar van woensdag 23 tot en
met 25 juni in Twente plaats vinden.
De studies laten zien dat effecten van HRM onderzoek niet één
op één te vertalen zijn vanuit het bedrijfsleven, maar
laten tevens zien dat HRM onderzoek binnen scholen relevant is. Door
het kwaliteitsniveau en de professionele ontwikkeling van leerkrachten
te verhogen, verhogen we ook de prestaties van de leerlingen en verhogen
we het kennisniveau van Nederland.
Karin Sanders
(
p.runhaar@gw.utwente.nl;
j.konermann@kpcgroep.nl;
m.b.vanrijn@gw.utwente.nl )

|